Naar de inhoud
Zeven MeterMagazine over handbal, van de spelregels tot de competitie

Spelregels

Drie stappen en drie seconden

Bijna elk fluitsignaal in een jeugdwedstrijd gaat over deze twee regels. Ze klinken eenvoudig en zijn dat in de praktijk niet.

Handballer in loopbeweging die de bal met een hand op de vloer stuit tijdens een aanval, met een verdediger vlak naast zich

Wie voor het eerst naar een handbalwedstrijd kijkt, hoort het fluitje vaak om twee dingen: een speler liep te ver met de bal in de hand, of hij hield hem te lang vast. De encyclopedie vat de kern van de sport samen met precies deze twee beperkingen: een speler mag met de bal in de hand drie passen doen en moet daarna stuiten of afspelen, en met twee handen gevangen mag de bal niet langer dan drie seconden worden vastgehouden. Deze regels bepalen het tempo van het hele spel. Zonder ze zou handbal een loopspel worden; met ze wordt het een werpspel waarin elke seconde telt.

Waarom drie passen de bal steeds in beweging houden

De passenregel klinkt eenvoudig en is dat in de praktijk niet. Een speler die de bal vangt, krijgt drie passen om zich een betere positie te verschaffen: een stap richting het doel, een stap langs een verdediger, en dan een beslissing. Na die derde pas moet er iets gebeuren. De bal gaat naar een medespeler, of hij gaat naar de vloer voor een stuiter. Wie een vierde pas zet, verliest het bezit aan de tegenstander.

De regel dwingt dus niet alleen af dat spelers de bal loslaten. Ze dwingt ook af dat spelers vóór de bal al nadenken. Een handballer die pas na de derde pas begint te zoeken naar een oplossing, is te laat. Dat is de reden dat trainers bij beginners vaak eerst het passen en het afspelen trainen en pas daarna het schot. Voor wie de basisregels van handbal nog niet kent, is dit de eerste drempel: de bal hoort te circuleren, niet te reizen.

Wat verandert er door te stuiten?

Stuiten is de derde weg tussen passen en afspelen. De encyclopedie beschrijft het als de optie die een speler krijgt nadat zijn drie passen op zijn zijn: de bal moet op de grond worden gestuit of worden afgespeeld. Wie stuit, koopt tijd zonder de bal stil te leggen. Dat maakt de regel minder star dan hij op papier lijkt. Een aanvaller die de bal laat stuiteren, kan opnieuw ruimte zoeken en opnieuw een aanvalszet inzetten.

De keerzijde is dat stuiten ook de verdediger tijd geeft. In de zaal is de afstand tot het doel klein: het veld is veertig meter lang en twintig meter breed, en de vrijeworplijn ligt op negen meter van het doel. Elke stuiter is dus een moment waarop de verdediging kan mee schuiven. Goede spelers stuiten daarom met een plan, niet om even te ontsnappen aan de passenregel.

Hoeveel seconden mag de bal stil blijven?

De tweede maattijd in het handbal is korter dan veel mensen denken. Een speler die de bal met twee handen vangt, mag hem niet langer dan drie seconden vasthouden. Dat is ongeveer de tijd van een kalme ademteug. Daarna moet de bal weg, richting een medespeler, richting het doel of richting de vloer.

Voor de keepers geldt dit speelveld breed, en ook voor hen telt de klok. De regel tegen het doelgebied, begrensd door de zesmeterlijn, maakt de drie seconden extra voelbaar: dicht bij die lijn staat de verdediging dicht opeen, en elke aarzeling wordt afgestraft. De combinatie van drie passen en drie seconden zorgt ervoor dat een aanval nooit echt stil kan staan. Er is altijd beweging, van de bal of van de spelers eromheen.

Wanneer krijgt een overtreding een straf?

De scheidsrechter heeft een trapsgewijs arsenaal. Bij een eerste overtreding volgt vaak een waarschuwing, aangeduid met de gele kaart. Bij een volgende overtreding van dezelfde of zwaardere aard volgt een tijdstraf van twee minuten. Wie drie keer twee minuten krijgt, ziet de rode kaart en is uitgespeeld. Zware overtredingen kunnen direct met een rode kaart worden bestraft, en daar bestaat sinds enige tijd ook een blauwe kaart naast, voor gevallen waarin de bond achteraf nog een rapportage beoordeelt.

Ook stappen en te lang vasthouden vallen onder dit systeem, al leiden ze bij beginners zelden verder dan een vrije worp. De worp wordt genomen op de plaats van de overtreding, maar ten minste negen meter van het doel, op de vrijeworplijn. Ernstiger ingrepen, zoals het belemmeren van een duidelijke kans, worden bestraft met een worp vanaf de strafworplijn, die op zeven meter van de doellijn ligt.

Waarom overtreden beginners deze regels het vaakst?

Omdat beide regels een gewoonte doorbreken die buiten de zaal heel normaal is. In het dagelijks leven loopt niemand die iets vasthoudt na drie stappen automatisch stil. Een kind dat een bal vangt, wil eerst rondkijken, dan kiezen, dan gooien. Het handbal vraagt precies de omgekeerde volgorde: eerst kiezen, dan vangen, dan handelen. Dat is aan te leren, en het is ook het uitgangspunt van de jeugdspelvormen. De bond laat kinderen in de jongste categorieën op kleinere velden en in kleinere teams spelen, met als opgegeven reden dat ze vaker aan de bal komen en meer gaan dribbelen, schieten en samenspelen. Meer balcontact betekent ook meer herhaling van de passenregel en de secondenregel, en dus een snellere automatisering. Hoe dat er per leeftijdsgroep uitziet, staat beschreven bij de speelwijze van het jeugdhandbal.

Is drie seconden ook voor de scheidsrechter een schatting?

Ja, en dat is de grens van de regel. Een scheidsrechter telt de seconden niet met een klok, maar met gevoel en ervaring. Bij een stapregel kan hij passen tellen; bij de secondenregel moet hij inschatten of een vasthoudende speler de grens overschrijdt. In de praktijk fluistert de zaal vaak mee: publiek dat de tellen hardop meetrekt, is in een handbalhal geen zeldzaamheid. De spelregels voor de zaal, die de bond publiceert en die teruggrijpen op de reglementen van de wereldbond, bieden de scheidsrechter daarbij wel een steun: bij passief spel, waarbij een aanval te lang duurt zonder doelpoging, grijpt hij in met een signaal en daarna met een vrije worp voor de tegenstander. De encyclopedie vermeldt niet exact hoeveel passes een team na dat signaal nog krijgt; wie dat tot op de letter wil weten, raadpleegt het actuele reglement van de bond.

Van telregel naar spelgevoel

De drie passen en de drie seconden zijn geen administratieve beperkingen. Ze zijn de motor van een sport waarin het doel drie meter breed en twee meter hoog is, en waarin een aanval in enkele tellen van de eigen negen meter bij het vijandige doel kan zijn. Wie de regels eenmaal in de benen heeft, merkt dat ze het spel niet afremmen maar versnellen: elke beslissing ligt al klaar voordat de bal komt. Dat is ook de reden dat deze twee regels op de trainingen terugkeren, van de jongste jeugd tot de senioren, week na week, tot het tellen ophoudt en het spelen begint.